Onder water adem je samengeperste lucht. Zodra je stijgt, zet die lucht uit. Als je je adem inhoudt, kan dat al in enkele meters leiden tot longoverdruk of zelfs een luchtembolie. De gouden regel is daarom simpel: blijf rustig en continu ademen. Dit is een van de basisregels voor veilig duiken. In dit artikel lees je wat er in je longen gebeurt, hoe de Wet van Boyle bij duiken dit verklaart, en welke praktische gewoonten je direct helpen om veilig te duiken.
Wat er in je longen gebeurt tijdens een opstijging
De Wet van Boyle zegt dat bij een hogere druk het gasvolume kleiner wordt, en bij lagere druk juist groter. Op diepte past er dus meer lucht in je longen bij dezelfde teug. Tijdens een opstijging daalt de druk en wil diezelfde lucht uitzetten. Houd je je adem in, dan kan de uitzettende lucht nergens heen. De druk in de longblaasjes loopt op, met risico op scheurtjes in het longweefsel.
Dat heet longoverdruk. Lucht kan dan ontsnappen naar de borstholte of in de bloedbaan terechtkomen. Komt lucht in een slagader terecht, dan spreken we van een arteriële luchtembolie, een levensbedreigende situatie. Belangrijk om te weten: het grootste deel van de volumeverandering gebeurt dicht bij het oppervlak. Ook de laatste meters zijn dus kritisch. Zelfs een kleine, onbewuste ademstop tijdens een snelle opstijging kan problemen geven.
De oplossing is voorspelbaar en effectief. Houd je ademautomaat in je mond, adem rustig door en voorkom paniek. Als je toch zenuwachtig wordt, focus dan op kalm in- en uitademen en vertraag je opstijging. Deze eenvoudige gewoonten minimaliseren de kans op longschade en houden je in controle.
Druk en volume volgens Boyle in de praktijk
Waterdruk neemt ongeveer 1 bar toe per 10 meter diepte. Op 10 meter is de absolute druk ongeveer 2 bar, op 20 meter 3 bar, enzovoort. Halveer je de druk, dan verdubbelt het volume. Daarom zijn de eerste en laatste 10 meter van een duik het meest kritisch voor luchtvolumes in je longen, BCD en droogpak. In de praktijk betekent dit dat je dichter bij het oppervlak proactief moet ontluchten en je opstijgsnelheid strak moet bewaken.
Enkele referentiepunten helpen je om het te voelen. Aan de oppervlakte is de druk 1 bar en het luchtvolume 100 procent. Op 10 meter is de druk ongeveer 2 bar en het luchtvolume van dezelfde luchtbel ongeveer 50 procent. Op 20 meter 3 bar en circa 33 procent. Tijdens de opstijging keert dit om: de lucht zet uit en wil jouw uitrusting en longen vullen. Jij anticipeert daarop door tijdig te ontluchten en rustig te blijven ademen.
Hoe adem je tijdens het duiken?
Adem rustig, ritmisch en zonder je adem in te houden. Vermijd zogenaamde skip breathing, waarbij je bewust adempauzes inlast om lucht te sparen. Dat lijkt zuinig, maar verhoogt je CO2-niveau, wat benauwdheid, hoofdpijn en paniek kan uitlokken. Een kalm patroon met volledige maar ontspannen in- en uitademing is veiliger én vaak zelfs efficiënter omdat je ontspant en minder lucht verbruikt. Ontdek praktische tips voor efficiënt ademen onder water.
Let tijdens het stijgen extra op een vloeiende uitademing. Je hoeft niet overdreven hard uit te blazen, maar laat de lucht wel stromen. Houd je ademautomaat in en blijf continu ademen, ook als je een veiligheidsstop maakt of je drijfvermogen corrigeert. Merk je dat je gaat hijgen, pauzeer dan je beweging, focus op langere uitademingen en laat je ademhaling terugkeren naar een rustig ritme.
Veilige opstijgsnelheid en veiligheidsstop
Gasexpansie en stikstofafvoer vragen om een beheerste opstijging. Hanteer een opstijgsnelheid van maximaal ongeveer 9 meter per minuut en wees in de laatste 10 meter nog voorzichtiger. Gebruik je duikcomputer als leidraad en respecteer waarschuwingen. Een standaard veiligheidsstop van 3 minuten op 5 meter helpt je lichaam extra stikstof af te geven en geeft jou tijd om je ademhaling en drijfvermogen rustig te stabiliseren (zie Wat is de veiligheidsstop (en waarom)). Lees hier Waarom je niet snel mag opstijgen.
Ga nooit schoksgewijs omhoog. Als je merkt dat je sneller wordt, stop dan kort, ontlucht je BCD of droogpak en hervat gecontroleerd. Blijf gedurende de hele opstijging ademhalen. Zo beperk je het risico op longoverdruk en houd je controle over je positie in het water. Voor een compleet overzicht, bekijk de Basisveiligheidsregels voor beginnende duikers.
Drijfvermogen, BCD en droogpak: ontluchten om controle te houden
Alles met lucht erin zet uit tijdens het stijgen. Dat geldt voor je BCD, je droogpak en zelfs het kleine luchtvolume in je masker. Ontlucht daarom vroeg en vaak. Wacht je te lang, dan gaat de uitzetting sneller dan jij kunt corrigeren en neemt je stijgsnelheid toe. Houd je ontluchtingspunten hoog, breng je lichaam in een positie waarin lucht kan ontsnappen en voer kleine correcties uit in plaats van grote, late ingrepen.
Neopreen comprimeert op diepte en krijgt volume terug richting oppervlakte, waardoor je extra positief wordt. Compenseer hier geleidelijk voor en voorkom dat je op het eind van de duik met een te volle BCD zit. Door anticiperend te trimmen, ondersteun je een rustige ademhaling en minimaliseer je de neiging om even de adem vast te zetten wanneer je plotseling stijgt. Wil je hier gerichter aan werken? Bekijk Opdrijfvermogen en trim verbeteren.
Veelgemaakte fouten en hoe je ze voorkomt
Te snel willen opstijgen omdat je lucht laag is voorkomt je door gasplanning te oefenen en je duik te eindigen met voldoende reserve. Skip breathing om lucht te sparen vervang je door ontspannen, continue ademhaling. Te laat ontluchten van BCD of droogpak adresseer je door al in de eerste meters van je opstijging kleine ontluchtingen te doen en je dumpvalve hoog te houden. In paniek de adem inhouden voorkom je met de routine stop, adem, denk, doe en door je ademautomaat altijd in te houden. Masker- of oordruk negeren pak je aan door vroeg en vaak te klaren, zodat je ontspannen kunt blijven ademen. Lees meer over Veelgemaakte beginnersfouten bij scubaduiken.
FAQ over adem inhouden en ademhaling bij duiken
Waarom adem niet inhouden tijdens duiken?
Tijdens het stijgen zet ingeademde lucht uit. Houd je je adem in, dan kan de druk in je longen oplopen en weefsel beschadigen, met risico op longoverdruk en een luchtembolie. Door continu en rustig te blijven ademen kan de uitzettende lucht veilig ontsnappen.
Hoe adem je tijdens het duiken?
Adem rustig en ritmisch zonder pauzes. Vermijd skip breathing omdat dit je CO2 verhoogt en onrust veroorzaakt. Tijdens een opstijging laat je de uitademing vloeiend doorlopen en bewaak je je tempo met je duikcomputer. Blijf altijd door je ademautomaat ademen.
Waarom moet ik soms overgeven na het duiken?
Vaak is dit zeeziekte, ingeslikt zout water of verhoogde CO2 door inspanning of onrustige ademhaling. Eet licht, hydrateer, voorkom oververhitting en houd je ademhaling kalm en gelijkmatig. Worden klachten frequent of heftig, overleg dan met een duikarts.
Waarom plassen tijdens duiken?
Koude en druk in het water stimuleren je lichaam om vocht uit te scheiden, een normale reactie die cold en immersion diuresis heet. Goed hydrateren en een passend onderpak helpen. Onderwater plassen is normaal, maar spoel na afloop je pak goed uit.
Wil je deze vaardigheden onder persoonlijke begeleiding leren en oefenen? Bij Scuba Shack in Eindhoven volg je flexibele PADI Open Water- en vervolgopleidingen en vind je deskundig advies over ademautomaten, BCD’s, droogpakken en onderhoud.