Te snel opstijgen vergroot de kans op decompressieziekte en longoverdruk. Vuistregel: stijg nooit sneller dan je kleinste belletjes, volg altijd je duikcomputer en neem een veiligheidsstop. Toch hoor je verschillende cijfers, zoals 10 of 18 meter per minuut. Hieronder lees je wat er veilig is, waarom die verschillen bestaan en hoe je jouw opstijging in de praktijk strak onder controle houdt.
Opstijgsnelheid in de praktijk: 10 vs 18 m/min en je duikcomputer
In veel opleidingen staat een maximum van 18 meter per minuut genoemd. Moderne duikcomputers hanteren vaak 10 meter per minuut of zelfs iets lager, en ze geven een alarm als je te snel gaat. Dat verschil komt doordat computers jouw profiel seconde voor seconde volgen en conservatiever zijn dan oudere tabellen. Bovendien is de laatste 10 meter van de opstijging het meest kritisch, omdat de drukverandering daar procentueel het grootst is.
Volg daarom primair de aanwijzingen van je duikcomputer. Let niet alleen op de diepte, maar ook op de stijgsnelheidsindicator. Als die oranje of rood wordt of een alarm geeft, stop je de opstijging, ontlucht je lucht uit wing of droogpak en hervat je rustiger. Houd in gedachten dat langzamer bijna altijd beter is, zeker boven 10 meter. Maak ook onderscheid tussen geen-decompressieduiken en profielen met verplichte stops; in dat laatste geval gaat het om een decompressieduik met strikt te volgen opstijg- en stopregels.
Hoe snel mag je opstijgen met duiken?
Als praktische leidraad kun je aanhouden: volg je duikcomputer, stijg nooit sneller dan je kleinste belletjes en maak een veiligheidsstop. De onderstaande tabel zet de meest gebruikte grenzen en situaties op een rij. Zie ook de PADI Open Water-regels voor opstijgsnelheid.
| Situatie of bron | Aanbevolen limiet | Toelichting |
|---|---|---|
| Opleidingsrichtlijn recreatief (tabellen) | Maximaal 18 m/min | Historische limiet uit tabellen. Alleen bij perfecte controle en zonder alarmsignalen. |
| Meeste duikcomputers | Ca. 8-12 m/min | Computers zijn conservatief. Volg altijd de indicator en eventuele waarschuwingen. |
| Laatste 10 meter | Ca. 6-9 m/min | Grootste relatieve drukverandering. Neem extra tijd voor dit deel van de opstijging. |
| Vuistregel belletjes | Nooit sneller dan je kleinste belletjes | Visuele controle die in elke situatie toepasbaar is. |
| Veiligheidsstop | 3 minuten op 3-5 meter | Aanvullende marge, ook als je binnen de geen-decompressie-limiet (NDL) blijft. |
Wat gebeurt er in je lichaam tijdens de opstijging?
Onder druk lost stikstof uit je ademgas op in je lichaam. Zodra je opstijgt en de druk afneemt, moet dat opgeloste gas gecontroleerd via je longen worden afgevoerd. Stijg je te snel, dan kan stikstof als belletjes uit oplossing komen in je weefsels en bloed. Dat verhoogt de kans op decompressieziekte.
Tegelijk zet lucht in alle luchthoudende ruimtes uit bij afnemende druk. In je longen is dat direct relevant: houd je je adem in of stijg je te snel, dan kan de uitzettende lucht schade veroorzaken met risico op longoverdruk en een arteriële gasembolie. Ook in masker, oren, sinussen en droogpak zet lucht uit, waardoor je tijdig moet ontluchten en klaren. Vooral boven de 10 meter gaat deze volumeverandering sneller, dus neem daar extra de tijd.
Gevaren van te snel of te langzaam stijgen
Te snel opstijgen vergroot de kans op decompressieziekte door vorming en groei van stikstofbellen. Daarnaast kan uitzettende lucht in de longen leiden tot longoverdruk of een arteriële gasembolie, met mogelijk ernstige neurologische gevolgen. Je loopt ook het risico een veiligheidsstop te missen of je buddy kwijt te raken door ongecontroleerde snelheid.
Té langzaam is minder gevaarlijk dan te snel, maar het kan wel nadelen hebben: je verbruikt meer gas, raakt sneller uit positie ten opzichte van je buddy of boot en je kunt onnodig lang in ondiep water dobberen met golfslag en stroming. Streef naar gecontroleerd en gelijkmatig stijgen binnen de limieten van je duikcomputer.
Praktische tips om je opstijgsnelheid te beheersen
- Bereid je opstijging voor: spreek het plan, stops en signalen met je buddy af, en zorg voor voldoende reserve via gasplanning en rock bottom.
- Trim neutraal voordat je start en ontlucht vroeg en vaak uit wing en droogpak; werk aan je opdrijfvermogen en trim.
- Houd je duikcomputer in het zicht en volg de stijgsnelheidsbalk of pijlen.
- Gebruik waar mogelijk een referentie zoals een ankerlijn of DSMB-lijn.
- Adem rustig door en blijf horizontaal om schommelingen te dempen.
- Stop direct als je een alarm krijgt, ontlucht, zak een meter en hervat langzamer.
- Neem altijd een veiligheidsstop van 3 minuten op 3-5 meter.
- Beperk taakbelasting tijdens de opstijging en houd contact met je buddy.
Veelgestelde vragen
Hoeveel meter per minuut is het veilig om te duiken tijdens het opstijgen?
Volg je duikcomputer. Veel computers hanteren rond 10 m/min, terwijl 18 m/min een oude bovengrens uit tabellen is. Kies conservatief, ga in de laatste 10 meter nog rustiger en gebruik de belletjes-vuistregel.
Wat gebeurt er als je te snel omhoog gaat bij duiken?
Je verhoogt het risico op stikstofbellen en decompressieziekte, en uitzettende lucht kan longoverdruk of een gasembolie veroorzaken. Krijg je klachten na een duik, zoek dan zo snel mogelijk medische hulp.
Waarom langzaam omhoog met duiken?
Langzaam en gecontroleerd stijgen geeft je lichaam tijd om stikstof af te voeren en laat uitzettende lucht ontsnappen. Zo verklein je de kans op alarms, gemiste stops en duikongevallen.
Wat doe je als je duikcomputer een opstijgalarm geeft?
Stop je stijging, adem rustig uit, ontlucht wing en droogpak, zak een meter terug en hervat langzamer. Voeg zo nodig extra tijd toe aan je veiligheidsstop.